NB: De meest actuele versie van deze site kunt u vinden op: www.musculoskeletalmedicine.nl. Omdat deze oudere site nog steeds veel wordt bezocht is het nog niet van het internet afgehaald. De effectiviteit van manuele technieken bij de behandeling van lage rugklachten is voor de korte en middellange termijn aangetoond en is daarom opgenomen in de richtlijn 'Aspecifieke lage rugklachten'. Deze richtlijn werd opgesteld door de Nederlandse Orthopaedische Vereniging en het kwaliteitsinstituut voor de gezondheidszorg CBO (zie: www.cbo.nl, ga naar producten en diensten, ga naar richtlijnen). Dit geldt niet voor chronische rugklachten [1] [2] [3] hoewel de praktijkervaringen gunstig zijn. Alom is bekend dat acute lage rugklachten een gunstige natuurlijke prognose hebben [4] , maar niet chronische (what is in a name?). Met chronische klachten worden onder andere die klachten bedoeld die vrijwel dagelijks merkbaar blijven, of regelmatig recidiveren gedurende minimaal 6-7 weken. In het onderhavige stuk wordt uitgelegd waarom stabilisatietraining van de rug een rol zou kunnen spelen bij het voorkomen van recidieven en hoe dat kan worden uitgevoerd. Mensen met recidiverende rugklachten vormen een interessante groep, want er zijn ook periodes zonder (al te veel) klachten. Waarom worden die periodes onderbroken? Soms is de aanleiding van het recidief bekend zoals vertillen, bukken, slecht liggen. Maar aanleiding hoeft niet synoniem te zijn met oorzaak. Soms kondigt een recidief zich tevoren aan in de vorm van stijfheid of een moe gevoel. Vaak echter is het niet duidelijk waarom deze keer tijdens bukken er klachten kwamen, of tijdens een minieme reikmanoeuvre. Er bestaan uiteraard theorieën waarom een recidief ontstaat. De opvattingen van McKenzie bijvoorbeeld zijn interessant omdat hij meent dat de werkelijke vooruitgang in de behandeling van lage rugklachten zou moeten bestaan uit het voorkómen van recidieven. Hij meent daar ook een oplossing voor te hebben [5] . In de literatuur is hier en daar wel ondersteuning te vinden [6] , maar aangetoonde effectiviteit is niet voorhanden, zie recent nog een studie naar lordosesteunen [7] . Het is moeilijk vast te stellen hoe groot het percentage recidieven is na een doorgemaakte periode met rugklachten. In de literatuur worden zeer uiteenlopende percentages genoemd. De verschillen zullen onder andere te maken hebben met de gehanteerde definitie van recidief, maar ook met de aard van de groepen die onderzocht zijn. Zo werd in een algemene praktijk een recidief percentage gevonden van 44% in 4 jaar [8] . Bekend is echter dat niet elke rugpatiënt (weer) contact zoekt met de huisarts. Maar in een groep geopereerde herniapatiënten kwamen er rugklachten terug bij 85% en werd een recidief hernia gevonden bij 3-4% over een periode van 20 jaar [9] . Gegevens over wanneer de meeste recidieven optreden zijn niet voorhanden. De laatste literatuur laat zien dat steeds meer follow-up metingen na minimaal 1 jaar verricht worden. Dat zal dan wel de huidige norm voor onderzoek zijn, maar deze wordt niet gemotiveerd. Wat de orthomanuele geneeskunde (OMG) betreft is er een beschrijvend onderzoek uitgevoerd waarbij onder ander naar een groep mensen is gekeken die al langer dan 5 jaar rugklachten had [10] . Ongeveer tweederde van de mensen verbeterde. Het resultaat bij een groep die korter dan 1 jaar klachten had was nog beter. Zou de OMG dan een gunstige uitzondering vormen op de effectiviteit ten opzichte van andere manuele technieken? De meetmomenten bij genoemd onderzoek waren kort voor de eerste behandeling en 4 maanden na de eerste behandeling. Dat betekent dat bij gemiddeld 5-6 behandelingen [11] er een behandelvrije periode van ongeveer 3 maanden is geweest. Het is de vraag of deze tijdsspanne voldoende is om de recidiefgroep te meten. Het moge duidelijk zijn dat dit aanmerkelijke invloed op de gemeten effectiviteit kan hebben. Steekproef
naar recidieven
naar
boven Onderzoek naar het voorkomen van recidieven in de OMG-praktijken is nog niet gedaan. Een eenvoudig archief onderzoekje in eigen praktijk geeft een indicatie. Bij een steekproef werden de eerste 100 mensen verzameld waarvan de achternamen met een R (inderdaad van recidief) begon, die aanvankelijk succesvol voor lage rugklachten werden behandeld meer dan een jaar geleden. In het dossier was terug te vinden dat van deze 100 er 42 zijn die één of meer keren teruggekomen voor behandeling in verband met een recidief. Recidief betekent hier: men komt terug in verband met lage rugklachten ook al is de aard en locatie verschillend van de klacht ten tijde van de eerste behandeling. Je mag aannemen dat het werkelijk aantal recidieven hoger zal liggen bijvoorbeeld omdat mensen niet komen omdat ze verhuisd zijn, naar een andere behandelaar zijn gegaan, het erbij laten zitten, enz. Hiertegenover kan gesteld worden dat door gunstige ervaring met eerdere behandeling mensen met een recidief juist zullen terugkomen. Het is in ieder geval een feit dat deze groep ook in een OMG-praktijk prominent aanwezig is. Er is zelfs een handjevol mensen die om de paar maanden behandeld wordt, al gedurende een aantal jaren. Deze mensen hebben geen alternatief kunnen vinden om te verbeteren, en zijn blij dat na OMG de klachten weer een tijdje tot rust komen. Elke OMG-praktijk kent deze groep, overigens ook elke MG-praktijk. Recidieven
in OMG-afwijkingen
naar
boven Bij een aantal van de mensen met frequente recidieven viel op dat er telkens een OMG-bekkenwringing geconstateerd werd, en bij een aantal viel op dat er telkens OMG-standafwijkingen in het SLO-gebied te vinden waren. De afwijkingen uitten zich steevast in de vorm van een extra asymmetrie, die zich vaak presenteerden zoals eerder en zich gemakkelijk lieten corrigeren. Natuurlijk werden diverse houdingsaanwijzingen, tiltechnieken, enz doorgenomen om een mogelijke oorzaak weg te nemen, maar vrijwel altijd met geen merkbaar resultaat. In aanraking gekomen met de opvattingen over bekkeninstabiliteit van de onderzoeksgroep van Vleeming c.s. [12] lukte het om een paar mensen met bekkenwringing recidieven naar het Spine & Joint Centre te Rotterdam te sturen op kosten van de zorgverzekeraar (we hebben het hier over Groningers!). Er werd uitgebreid getest op spierfuncties aan de hand waarvan een intensief trainingsprogramma werd gevolgd. Het resultaat was meestal: er bleven achtergrondklachten, maar minder vaak recidief, minder OMG-afwijkingen met name de bekkenwringingen. Er blijkt dus invloed te zijn van deze training op het voorkomen van OMG-afwijkingen en klachten. Voor de betreffende personen was dit een enorme vooruitgang. Een nadeel was dat de mensen moesten blijven oefenen om zich de recidieven van het lijf te houden. Stabilisatietraining
van de lage rug
naar
boven Recent is een methode beschreven voor
stabilisatietraining van de rug
[13]
. Hier wil ik wat uitgebreider bij stilstaan in verband met het
mogelijk praktisch belang. De
theorie De
praktijk
Het
OMG-perspectief
naar
boven Voor de OMG is dit een interessante therapie. Het streven is immers een rechte en symmetrische stand van de wervels onderling. De stelling is dat zodra de symmetrie doorbroken wordt er risico op het ontstaan van klachten is. Misschien moet er een tussenstap gemaakt worden en kan men ook zeggen dat een OMG asymmetrie een vorm van segmentale instabiliteit geeft waardoor klachten kunnen ontstaan. Ondersteuning voor deze opvatting is te vinden in het idee van een veranderde neutral zone in de intervertebrale gewrichtjes wanneer er een a-fysiologische verschuiving plaatsvindt [20] . Om technische recidieven te voorkomen is de OMG-arts er dus alleszins bij gebaat om naast herstel ook de fysiologische symmetrie te handhaven. De segmentale stabilisatietraining leent zich hiervoor. Of hiermee ook het recidiverende klachtenpatroon van de lage rugpatiënt doorbroken kan worden zou gemeten moeten worden. Het is te vroeg voor evaluatie, maar de eerste praktische ervaringen zijn bemoedigend. De methode is goed door fysiotherapeuten te gebruiken. Helaas is het zo dat de meeste fysiotherapeuten anno 2004 nog steeds traditionele training van de lange rug- en buikspieren geven, vaak met fitnessapparatuur. In de gepresenteerde visie is dit niet nodig, omdat deze spieren al genoeg ingezet worden en vaak overbelast zijn, getuige de hypertonieën die gevonden worden. Bovendien werkt het averechts als het te vroeg geïntroduceerd wordt. De segmentaal stabiliserende spieren worden dan namelijk ontzien in plaats van geactiveerd. In de stabiliserende therapie komt fitness, indien nodig, pas als sluitstuk van het programma. De stabilistatietraining wordt vooralsnog in de Praktijk OMG Groningen gegeven. Het is een moeilijke therapie, zowel voor patiënt als voor therapeut. Er wordt veel gevraagd van het concentratievermogen. Bij een aantal mensen slaagt de therapie niet. Een duidelijke oorzaak is niet aan te wijzen. Toch zijn er twee categorieën patiënten aan te wijzen die een groter risico lopen: de groep die van jongsafaan een slechte motorische ontwikkeling heeft gehad, en de groep die al zeer lang hypertone lange rugspieren heeft. Als belangrijkste hulpmiddel bij het onderzoek en therapie kan een uitgeklede tensiemeter gebruikt worden om te zien of de genoemde houdingsspieren isometrisch aangespannen worden. Een ander hulpmiddel kan oppervlakte EMG zijn om te controleren of de niet-houdingsspieren zich goed ontspannen. In de literatuur wordt ook beeldvormende ultrageluidapparatuur genoemd om nog selectiever feedback te kunnen geven. EMG- en ultrageluidapparatuur wordt in de Praktijk OMG Groningen niet gebruikt.
[1] Anderson R, Meeker W, et al. A meta-analysis of clinical trials of spinal manipulation. Journal of Manipulative and Physiological Therapeutics 1992 14:181-194 [2] Koes B, Assendelft W, et al. Spinal manipulation and mobilisation for back and neck pain: a blinded review. Britisch Medical Journal 1991 303:1298-1303 [3] Koes B, Assendelft W, et al. Spinal manipulation for low back pain: an updated systematic review of randomised clinical trials. Spine 1996 21:2860-2871 [4] Faas A, Chavannes A, et al. NHG-Standaard Lage-Rugpijn. Huisarts en Wetenschap 1996; 39(1) [5] McKenzie R. The lumbar spine: mechanical diagnosis and therapy. 1981 Spinal Publications Ltd [6] Jackson M, Solomonow M, et al. Multifidus emg and tension-relaxation recovery after prolonged static lumbar flexion. Spine 2001 1;26(7):715-23 [7] Jellema P, Tulder M van, et al. Lumbar supports for prevention and treatment of low back pain: a systematic review within the framework of the cochrane back review group. Spine 2001 15;26(4):377-86 [8] Dillane J, Fry J, et al. Acute back syndrome, a study from general practice. Br Med J 1966 2 ,82 [9] Hirsch C. Efficiency of surgery in low back disorders. J Bone Joint Surg 1965 47a, 5, 991 [10] Albers J, Keizer E. Een onderzoek naar de waarde van orthomanuele geneeskunde. 1990 Eburon Delft [11] Folder Orthomanuele Geneeskunde 1996 [12] Pool-Goudzwaard A, Vleeming A, et al. Insufficient lumbopelvic stability: a clinical, anatomical and biomechanical approach to ‘a-specific’ low back pain. Manual Therapy 1998 3(1):12-20 [13] Richardson C, Jull G, et al. Therapeutic exercise for spinal segmental stabilization in low back pain. 1999 Churchill Livingstone [14] Hodges P, Richardson C. Inefficient muscular stabilization of the lumbar spine associated with low back pain. Spine 1996 21:2640-50 [15] Hides J, Richardson C, et al. Multifidus muscle recovery is not automatic after resolution of acute, first episode of low back pain. Spine 1996 21:2763-69 [16] Bogduk N. Clinical anatomy of the lumbar spine and sacrum. 1997 3rd edition Churchill Livingstone [17] Cholewicki J, McGill S. Mechanical stability of the in vivo lumbar spine: implications for injury and chronic low back pain. Clinical Biomechanics 1996 11;1-15 [18] O’Sullivan P, Twomey L, et al. Evaluation of specific stabilizing exercise in the treatment of chronic low back pain with radiologic diagnosis of spondylolysis or spondylolisthesis. Spine 1997 22:2959-67 [19] Spine (www.spinejournal.com)
[20]
Panjabi M. The stabilising system of the spine Part1/Part 2. Journal of
Spinal Disorders 1992 5:383-389/390-397
|